geschiedenis

I
Amsterdam werd in de zeventiende eeuw een van de rijkste en snel groeiende steden van Europa door de handel overzee. Er was een grote behoefte aan meer woningen en het stadsbestuur besloot de drassige stukken land aan de andere kant van de Amstel ook bij de stad te betrekken. De ‘vierde stadsuitleg’ was in 1680 klaar, maar het gebied bleek al snel te groot bemeten: de kavels werden lang niet allemaal verkocht. De bouw in het nieuwe stadsdeel stagneerde en men besloot in 1682 om een mooi lustoord van het gebied te maken. Het moest een plek worden waar de brave burgers tuinen konden kopen en onderhouden, waar ze konden wandelen, genieten van de zon en met elkaar konden keuvelen over de bloemen en planten. Zo geschiedde. De buurt werd een groen recreatiegebied met chique volkstuinen, waaraan de Plantage haar naam dankt. Burgers konden de tuinen kopen en er kleine tuinhuisjes op bouwen, maar vaste woonhuizen, het uitvoeren van ambachten en het drijven van handel waren verboden.

De plantage was direct een groot succes en al snel waren alle kavels verkocht. Door de stinkende grachten in de dichtbevolkte binnenstad snakte de Amsterdamse middenklasse naar wat groen. De huisjes werden in de loop van de achttiende eeuw steeds groter en er kwamen illegale tapperijen bij. De klanten stroomden toe en de Plantage kwam bekend te staan als ‘liederlijk lusthof’ – inmiddels hadden ook veel prostituees hun weg naar de groene buurt gevonden. Om de wildernis in de Plantage wat in te perken werden de vergunningen ingetrokken, de verkopers van sterke drank beboet en werd er een politieman in de buurt aan het werk gesteld. Maar de Plantage bleef een buurt van plezier en vermaak: in de negentiende eeuw had het zich ontwikkelt tot een echte uitgaansbuurt met veel theaters, danszalen en kroegen. Er gingen veel schrijvers, acteurs en wetenschappers wonen en aan het einde van de negentiende eeuw liet de gegoede joodse burgerij er statige huizen bouwen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde de aard buurt echter voorgoed: de joodse bevolking, die toen zo’n zestig procent van de buurt uitmaakte, werd in de Hollandsche Schouwburg opgesloten en vanuit daar gedeporteerd. De Plantage zou na deze vreselijke periode nooit meer een buurt van enkel zorgeloos vermaak zijn.